NIEUWS VAN VOORVAART ADVOCATUUR

Lees hier ons laatste Nieuws

“Appen op de fiets blijft toegestaan”

“Appen op de fiets blijft toegestaan”, kopte RTL nieuws afgelopen woensdag op haar website. Aanleiding van dit artikel was een brief van minister Schultz van Haegen aan de Tweede Kamer, waarin zij aangaf geen heil te zien in een specifieke regeling die voorziet in aansprakelijkheid van appende fietsers bij verkeersongevallen. De Minister:

“Smartphonegebruik, zowel bij automobilist als fietser, kan bijdragen aan een ongeval. Dit geldt echter evenzeer voor rood licht negatie, zonder verlichting fietsen en snelheidsovertredingen. De mogelijkheid om schade te verhalen bij fietsers die dit gedrag vertonen is er nu ook al. Ik ben er daarom geen voorstander van om specifieke gedragingen, zoals appen op de fiets, in art. 185 WVW op te nemen. […] De huidige tekst biedt voldoende mogelijkheden.”

Bovenstaande passage uit de brief was voor mij aanleiding om via deze blog wat dieper in te gaan op art. 185 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) in verband met telefoongebruik op de fiets. Biedt de wet op dit moment inderdaad voldoende mogelijkheden voor de automobilist om zijn/haar schade na een ongeval op een fietser te verhalen?

Art. 185 WVW

Laten we starten bij het wetsartikel dat de minister in haar brief aanhaalt: art. 185 WVW. Dit artikel regelt het geval dat een voetganger/fietser schade lijdt als gevolg van een ongeval op de openbare weg waarbij een motorrijtuig betrokken is. Lid 1 van het artikel schrijft voor dat bij dergelijke ongevallen de eigenaar van het motorrijtuig aansprakelijk is voor de schade aan de ongemotoriseerde, tenzij sprake is van overmacht.

Uit de tekst van art. 185 WVW kan daarom de conclusie getrokken worden dat indien géén sprake is van overmacht, de gemotoriseerde aansprakelijk is voor de schade. Bij het vaststellen van de omvang van de schade zal de gemotoriseerde weggebruiker in de praktijk voor de rechter meestal een beroep doen op eigen schuld (6:101 BW). Dit verweer houdt kort gezegd in dat een deel van de schade voor rekening van de ongemotoriseerde moet blijven, omdat ook zijn/haar gedrag heeft bijgedragen aan het ongeval.

Het eigen schuldverweer kan echter niet leiden tot onbeperkte matiging van de schadevergoedingsplicht van de gemotoriseerde. De Hoge Raad heeft in een aantal belangrijke  uitspraken bepaald dat op grond van de “billijkheid” minimaal een bepaald percentage van de schade van de ongemotoriseerde voor rekening van de gemotoriseerde komt. In het geval dat de ongemotoriseerde ouder is dan 14 jaar is dat 50% (HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526, IZA/Vrerink). Dit percentage kan hoger uitvallen op grond van de causale verdeling of de billijkheid. Is de ongemotoriseerde jonger dan 14 jaar, dan komt 100% van de schade van het kind voor rekening van de gemotoriseerde (HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7631, Kolkman). Deze in de rechtspraak geformuleerde regels worden respectievelijk de 50%-regel en de 100%-regel genoemd.

En de schade van de gemotoriseerde?

Art. 185 WVW ziet dus op vergoeding van schade van de ongemotoriseerde weggebruiker door een gemotoriseerde weggebruiker. De minister suggereert met haar brief aan de Tweede Kamer echter dat een verband bestaat tussen art. 185 WVW en schade van de gemotoriseerde weggebruiker door een ongemotoriseerde. De omgekeerde situatie dus. Hoe zit dat nu?

Het uitgangspunt is het volgende: in gevallen waarin een gemotoriseerde een ongemotoriseerde aanspreekt voor schade als gevolg van een ongeval, is géén sprake van een geval als bedoeld in art. 185 WVW. Wanneer een gemotoriseerde toch een ongemotoriseerde aansprakelijk wil stellen, dan is niet artikel 185 WVW, maar art. 6:162 BW van toepassing (de onrechtmatige daad).

Dit wil niet zeggen dat art. 185 WVW in de verhouding tussen partijen vervolgens geen rol meer speelt. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat bij het aansprakelijk stellen van een ongemotoriseerde op grond van art. 6:162 BW door een gemotoriseerde art. 185 WVW (art. 31 lid 1 WVW oud) van overeenkomstige toepassing is (HR 6 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5530, Gaflic/Mulder). Dit wordt ook wel de reflexwerking van art. 185 WVW genoemd. Deze reflexwerking houdt in dat de gemotoriseerde in beginsel zijn schade pas volledig krijgt vergoed indien hij aantoont dat van zijn kant sprake is van ‘overmacht’. De gemotoriseerde mag geen enkel verwijt te maken zijn met betrekking tot het ongeval.

Let op: de 50%- en 100%-regel hebben (om het eenvoudig te houden) géén reflexwerking (HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1426, Chan-A-Hung/Maalsté). Uitgangspunt is hier dus niet, anders dan bij directe toepassing van art. 185 WVW, dat een gemotoriseerde 50%/100% van zijn eigen schade moet dragen.

Is er geen sprake van overmacht, dan moet de omvang van de schade worden vastgesteld. Dit gebeurt ook hier aan de hand van art. 6:101 BW (eigen schuld) en gaat als volgt: om te beginnen zal een ‘causale verdeling’ gemaakt worden. Met andere woorden: in welke mate/verhouding hebben beide partijen bijgedragen aan het ongeval? Nadat de causale verdeling vaststaat (bijvoorbeeld 80%/20%) vindt een billijkheidscorrectie plaats. Hierbij wordt ook het zogenaamde “Betriebsgefahr” meegewogen (HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8254, Levob/Van den Bos). Dit is simpel gezegd het gevaar dat inherent is aan het besturen van een motorvoertuig.

Het meewegen van het Betriebsgefahr betekent niet dat de gemotoriseerde altijd met een deel van zijn schade blijft zitten. De billijkheid kan meebrengen dat een ongemotoriseerde de schade van de gemotoriseerde voor 100% moet vergoeden. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn indien hij verzekerd is voor de schade, en de gemotoriseerde niet (zie bijvoorbeeldHR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1426, Chan-A-Hung/Maalsté).  De billijkheidscorrectie kan er uiteindelijk toe leiden dat de gemotoriseerde 100% van zijn schadevergoeding krijgt vergoed.

Terug naar de brief van de minister…

In de brief van de minister aan de Tweede Kamer gaat het om de aansprakelijkheid van fietsers bij ongevallen met een auto. Daarmee begeeft zij zich dus op het terrein van art. 6:162 BW in combinatie met de reflexwerking van art. 185 WVW. De minister stelt (1) dat op dit moment wettelijk voldoende mogelijkheden bestaan om een fietser die door te ‘appen’ een ongeval veroorzaakt aansprakelijk te stellen. Daarnaast stelt de minister (2) dat zij daarom geen voorstander is van het opnemen van specifieke gedragingen in art. 185 WVW die een fietsers aansprakelijk maken.

Het eerste gedeelte van haar stelling valt mijns inziens te verdedigen. Onder de huidige wetgeving kan de omstandigheid dat een fietser een ongeval veroorzaakt door te bellen/appen in de causale verdeling inderdaad worden meegewogen. Net als het fietsen door rood licht, fietsen zonder licht et cetera.

De hierboven onder (2) ingenomen stelling las ik echter met enige verbazing. Art. 185 WVW regelt immers primair de aansprakelijkheid voor schade van een ongemotoriseerde die veroorzaakt is door een gemotoriseerde weggebruiker. Bijvoorbeeld schade van een fietser veroorzaakt door een auto. Het artikel regelt niet direct het geval waarin een ‘appende’ fietser schade bij een automobilist veroorzaakt, maar juist de omgekeerde situatie. Ik zie dan ook niet direct in hoe de aansprakelijkheid van een appende fietser in art. 185 WVW verwerkt zou moeten gaan worden. Blijkens de jurisprudentie werkt art. 185 WVW uiteindelijk wel door in de verhouding automobilist – fietser. Dit heeft echter niets met de formulering van art. 185 WVW an sich te maken.

Door: Mr. R.M.T. van Berlo